IS HET DEN MINISTER BEKEND?
uiterste gestrengheid betrachten bij het aanleggen
van eischen voor toelaatbaarheid, maar wanneer
men een anderen eisch stelt dan deze: „die film
kunnen kinderen tot 14 jaar met volmaakte ge
rustheid gaan zien, zij loopen in geen enkel opzicht
gevaar te worden bedorven", dan verlaat men het
terrein, dat de wet bestrijkt en zit de Commissie
er als paedagogen en onderwijzers en niet als men-
schen, die te waken hebben tegen maatschappelijke
en zedelijke gevaren."
In dezen zin is daarop het betreffend wetsartikel
geredigeerd en door de Kamer aangenomen.
Niettemin heeft de Centrale Commissie het
twaalf jaren later bestaan een oordeel te vellen als
paedagogen en onderwijzers, dit dus flagrant in
strijd met de bedoeling der wet. Een oordeel, dat
overigens niet op zichzelf staat, zooals in een dei-
eerstvolgende nummers van dit orgaan nader zal
worden aangetoond.
Deze handelwijze der Commissie acht het Hoofd
bestuur van den Nederlandschen Bioscoop-Bond,
mede door de .mentaliteit, welke er in tot uiting
komt en de consequenties, die er van te vreezen
zijn, zoo fataal, dat het in een dezer dagen te hou
den vergadering ernstig onder het oog zal zien,
welke stappen hiertegen dienen te worden ge
nomen.
Men kan bij 't geen thans gebeurd is, niet meer
aan den indruk ontkomen, dat de geweldige be
langen, die aan het keuringsorgaan zijn toever
trouwd, zijn opgeofferd aan een experiment.
De Commissie heeft met haar beslissing inzake
„Sneeuwwitje" een „faux pas" begaan, een daad
gesteld, waarmee dezerzijds nimmer genoegen kan
worden genomen en waarmee trouwens niemand
vrede hebben kan, die eenigszins met de materie
der Bioscoopwet vertrouwd is.
Het Tweede Kamerlid, de heer Joekes, heeft tot
den Minister van Binnenlandsche Zaken de vol
gende vragen gericht:
Is het den Minister bekend, dat de Burgemees
ter van Laren (N.H.) de vertooning van de door
de Centrale Commissie voor de keuring van films
toegelaten film „Het hart van Spanje" heeft ver
boden?
Is het juist, dat dit verbod is uitgevaardigd op
grond, dat de Burgemeester genoemde film te een
zijdig en te revolutionnair achtte?
Is de Minister niet van oordeel, dat een bur
gemeester niet bevoegd is de vertooning van een
door de Centrale Commissie toegelaten film te
verbieden op anderen grond, dan dat daardoor
de openbare orde in zijn gemeente dreigt ver
stoord te worden?
Indien de tweede vraag bevestigend wordt be
antwoord, is de Minister dan niet van meening,
dat de Burgemeester van Laren de grenzen zijner
bevoegdheid heeft overschreden?
Indien de tweede vraag ontkennend wordt be
antwoord, bestaat er dan reden, en zoo ja, welke,
om aan te nemen, dat in Laren de openbare orde
verstoord dreigt te worden door vertooning van
een film, die in tal van andere gemeente zonder
incidenten wordt vertoond?
SEMI-RECLAMEFILMS
Aan het oordeel van de Commissie inzake
Publiciteitsfilms werden onderworpen de films
„De Belgische Beiaarden", „Zonnig leven aan het
Belgische strand" en de eveneens Belgische film
„Beelden uit de historie", welke films de Com
missie op 19 December in oogenschouw heeft ge
nomen. De Commissie heeft daarbij als haar oor
deel vastgesteld, dat de films „De Beiaarden" en
„Beelden uit de historie" beschouwd moeten wor
den als zuiver documentaire films. Daarentegen is
zij van meening, dat de film „Zonnig leven aan
het Belgische strand" behoort tot de categorie van
de reclamefilms.
Uit deze beslissing vloeit voort, dat voor de
vertooning van laatstgenoemde film in de biosco
pen, waarvan de reclame op het projectiedoek aan
reclamebureaux is verpacht, de toestemming van
den reclamepachter is vereischt.
UITSPRAKEN COMMISSIE VAN GESCHILLEN
De Commissie van Geschillen (Derde Kamer) heeft in
haar zitting van Woensdag 16 November 1938 o.a. nog de
volgende uitspraak gewezen:
Inzake het door de N.V. Zevende Bouw-Maatschappij
„Nieuw Rustenburg", gevestigd te Den Haag en exploitee-
rende de Metropole Palace aldaar, op 4 October 1938 aan
hangig gemaakt geschil contra de N.V. Universal Film
Agency, gevestigd te Amsterdam, dat aan eischeres (Me
tropole) haar vordering moet worden ontzegd met hare ver
oordeeling in de geschilkosten, bedragende f 25.De
Commissie verklaart voorts, dat het door eischeres bij de
Bedrijfsafdeeling Filmverhuurders gedeponeerd bedrag van
onverwijld behoort te worden uitbetaald aan ge
daagde.
Deze uitspraak is gegrond op de overweging:
dat eischeres in hoofdzaak heeft gesteld, dat zij op 22
Augustus 1938 met gedaagde een overeenkomst is aange
gaan inzake den zoogenaamden verhuur en huur van de
film „Bezauberndes Fraulein" tegen den prijs van f
dat bij het proefdraaien van de copie de heer P. Ooms Sr.
namens gedaagde zou hebben toegezegd, dat, aangezien de
copie van de film geheel „verregend" was, hij gedaagde een
goede nieuwe copie zou leveren; dat eischeres op 30 Sep
tember 1938 de film heeft ingezet, waarbij echter bleek, dat
de copie in zeer slechten toestand verkeerde; dat de directeur
van gedaagde daarop erkend heeft, dat de film, die hij
reeds had laten reinigen, er inderdaad zeer slecht uitzag,
waarbij hij aangeboden heeft de film nogmaals te laten
schoonmaken, hetgeen echter niet meer mogelijk was; dat
de bezoekers van het theater hun ontevredenheid met deze
film hebben getoond en zelfs gedurende de vertooningen het
theater hebben verlaten; dat eischeres dan ook door het